Onvruchtbaar…

En onze kinderwens dan?!

Esther (32) en Bas (33) willen dolgraag kinderen. Als blijkt dat Bas onvruchtbaar is, zet dat hun relatie behoorlijk onder druk….‘In 2006 stop ik met de pil. Ik ben dan al zes jaar samen met Bas en we zijn druk bezig met de laatste voorbereidingen voor onze bruiloft. Voor ons een mooi moment om aan kinderen te beginnen. Want dat we graag een kindje willen, staat vast. Al sinds mijn puberteit heb ik een kinderwens. En ook Bas wil een gezin stichten.

ouders van nu

Ik word ongeduldig
Ruim tien maanden later ben ik nog niet zwanger. Ik word ongeduldig en we maken een afspraak bij de huisarts. Die vraagt Bas om wat zaad in te leveren om de kwaliteit ervan testen. Een paar dagen later moeten we op gesprek komen. De uitslag blijkt niet goed: Bas heeft te weinig zaadcellen. Dat bericht komt als donderslag bij heldere hemel. Dit hadden we niet verwacht… Op weg naar huis voelen we ons een beetje verdrietig. Maar ook gemotiveerd om een oplossing te zoeken. Op internet lezen we dat het bij mannen die verminderd vruchtbaar zijn vaak mogelijk is om de goede zaadcellen te selecteren en die rechtstreeks in de eicel in te brengen. ICSI, heet deze techniek. Dat lijkt ons wel wat. We maken een afspraak bij de uroloog van het academisch ziekenhuis om er meer over te horen. We verwachten dat hij ons zal vertellen wanneer we met het ICSI-traject mogen starten. Niets is minder waar. De uroloog vraagt Bas zich uit te kleden en onderzoekt hem. Dan zegt hij: “Sorry, maar ik kan helemaal niets voor jullie doen.” In één oogopslag ziet hij dat Bas een aandoening heeft (zie kader) die hem onvruchtbaar maakt. We zijn compleet overdonderd. In een waas verlaten we het ziekenhuis.

Naar de spermabank
Voor Bas en mij blijken er slechts twee manieren om vader en moeder te worden: adoptie of KID: Kunstmatige Inseminatie met Donorzaad. Bij deze techniek wordt het sperma van de donor in de baarmoeder gebracht. Bas zegt meteen dat hij voor adoptie gaat. Dat lijkt hem het eerlijkst; het kind is biologisch dan niet verwant aan ons allebei. Ik weet het allemaal niet meer. Ik voel me verdrietig en huil veel. Toch gaat ongeveer een week na het slechte nieuws de knop om en begin ik weer oplossingsgericht te denken. Welke mogelijkheden zijn er nog voor ons? Ik neem contact op met een ziekenhuis waar ze KID-behandelingen uitvoeren om daar meer over te weten te komen. Zijn er wachtlijsten? Kun je zelf een donor kiezen? Mogen we eens langskomen om te praten? We maken een afspraak met de secretaresse van de spermabank. Zij vertelt ons dat we al over acht maanden in aanmerking kunnen komen voor een behandeling. Natuurlijk wil ik dat! Zonder aarzelen laat ik ons op de wachtlijst zetten. Hoewel Bas nog twijfelt. Het heeft hem altijd leuk geleken om via een kind zijn eigen jeugd opnieuw te beleven. En om dingen van zichzelf terug te zien in zijn zoon of dochter. Nu dat niet meer mogelijk is, vraagt hij zich af of überhaupt nog wel een baby wil.

We begrijpen elkaar niet meer
Iedere keer als Bas over zijn aarzelingen begint, ga ik direct in de aanval. Ik ben geïrriteerd en bang dat hij van mij verwacht dat ik mijn kinderwens opgeef. Dat kan ik niet. Maar ik wil Bas ook niet kwijt. Ik wil sámen met hem een kind opvoeden. De spanningen lopen op. We begrijpen elkaar niet meer en ik vrees soms dat we er samen niet uitkomen. Een vriendin raadt ons aan om contact te zoeken met het Fiom. Deze organisatie biedt hulp aan mensen die worstelen met vragen op het terrein van zwangerschap, kinderloosheid en adoptie. We besluiten een afspraak te maken met een maatschappelijk werkster. Eens in de drie weken gaan we bij haar langs om onze gedachten en gevoelens op een rijtje te krijgen. Hele heftige gesprekken zijn dat. Zo wil de maatschappelijk werkster weten waarom ik eigenlijk een kind wil. Daarop heb ik niet zo 1, 2, 3 een antwoord. Het is voor mij heel vanzelfsprekend; ik kan met het leven zonder kinderen gewoonweg niet voorstellen. Maar dat is precies wat zij wél van ons vraagt. Ze wil dat we ons in alle alternatieven verdiepen. Zo moeten we boeken lezen over kinderloosheid. Daar word ik enorm opstandig van; ik wil er helemaal niets van weten! Maar Bas wel. Hij zegt: “We hebben het toch leuk met z’n tweetjes?” Als ik vervolgens kwaad word, valt hij helemaal stil.

Steun van familie
Het lijkt erop dat we door de gesprekken alleen maar verder uit elkaar groeien. Ik ben boos op de maatschappelijk werkster; heb het idee dat zij ons de verkeerde kant op duwt. Regelmatig voel ik me somber en droevig. Gelukkig krijg ik veel steun van mijn familie, vrienden en collega’s. Mijn zus zegt vol overtuiging: “Ik weet zéker dat jij kinderen krijgt.” Dat helpt me om de moed niet op te geven. Ook heb ik me aangesloten bij een lotgenotengroep van Freya: een vereniging van mensen die te maken krijgen met ongewilde kinderloosheid. Daar vind ik veel begrip. En gelukkig merk ik dat er – ondanks alles – toch momenten zijn dat ik erg van het leven geniet. Bijvoorbeeld als de zon schijnt en ik onze jonge hond uitlaat. Ik vind het heerlijk om voor hem te zorgen. Tegelijkertijd voel ik dat het niet genoeg is. Ik wil zó graag een baby. Toch besluit ik het onderwerp maar even te laten rusten.

Ik weet niet wat ik hoor!
Dan, voor mij volslagen onverwacht, kondigt Bas aan dat hij voor KID kiest. Hij is erachter gekomen dat hij toch niet kinderloos door het leven wil, vertelt hij. Adoptie blijkt geen optie meer. Hij weet dat ik graag een keer zwanger wil zijn en het lijkt hem mooi zo’n zwangerschap vanaf het begin mee te maken. Ik kan mijn oren niet geloven! Eigenlijk durf ik niet eens echt blij te zijn. Maar Bas is vastberaden. Hij belt het ziekenhuis, waar we nog steeds op de wachtlijst staan. Een week later voeren we een donorgesprek – we geven aan dat we graag een donor willen die qua uiterlijk wat op Bas lijkt. Nog diezelfde maand heb ik mijn eerste inseminatiepoging. Daarna gaan we met vakantie naar Malta. Daar zijn we na alle emoties van het afgelopen jaar wel aan toe.

We genieten
In Malta blijk ik zwanger te zijn! Allebei zijn we superblij. Toch merk ik de maanden erna dat Bas niet echt meeleeft. Ik begin bang te worden dat hij het kind misschien toch niet wil. Maar er blijkt iets anders aan de hand: nu ik in verwachting ben, komt het bij Bas extra hard aan dat hij onvruchtbaar is. Hij heeft het gevoel dat hij als man gefaald heeft. Dus daardoor is hij van slag! Ik besef nu dat ik in de afgelopen tijd weinig heb stilgestaan bij wat de onvruchtbaarheid voor hem betekent, druk als ik was met mijn eigen kinderwens. Nu slagen we er wel in om er samen over te praten. Ook denken we na over de toekomst. We besluiten dat ons kind mag weten hoe het is verwekt, zodat het later eventueel contact kan leggen met de donor. We merken dat onze band door deze gesprekken hechter wordt. De tweede helft van de zwangerschap lukt het Bas wel om te genieten. Hij gaat trouw mee naar de zwangerschapsgym, is druk aan het klussen in het babykamertje en is ontzettend blij als Lieke  geboren wordt. Beiden hebben we direct het gevoel dat zij ons eigen, lieve meisje is. Soms verzucht Bas: “O, wat kun je toch veel van zo’n kindje houden”. Als ik dat hoor, weet ik dat we de juiste beslissing hebben genomen. Sterker nog: we hebben inmiddels besloten voor een tweede te gaan!’

Mannelijke onvruchtbaarheid
De oorzaak van de onvruchtbaarheid van een stel ligt in ongeveer de helft van de gevallen bij de man. Er is dan sprake van een sterk verminderd aantal beweeglijke zaadcellen. Dit is vaak het gevolg van genetische afwijkingen, zoals het Syndroom van Klinefelter, waaraan ook Bas lijdt. Jongens die deze aangeboren aandoening hebben, hebben minimaal één x-chromosoom te veel. Daardoor hebben ze meestal minder beharing, kleinere testikels en worden ze langer dan andere mannen. Het Syndroom van Klinefelter komt bij ongeveer 1 op de 500 a 1000 jongens voor.


Dit artikel verscheen in Ouders van nu (Sanoma; 2009).

Dit artikel is 1944 keer bekeken