Directeur Spoorwegmuseum over toekomst bibliotheek

Paul van Vlijmen: ‘Lezen brengt de gejaagde mens rust’

‘Mensen hebben het tegenwoordig altijd zo druk. Op zoek naar rust, bezoeken ze wellnesscentra, verre oorden, de psychiater. Maar ze kunnen natuurlijk net zo goed naar de bibliotheek gaan. Van lezen krijg je rust in je hoofd. En dat is precies waar al die gejaagde mensen naar snakken.’

‘Een erg frequent bibliotheekbezoeker ben ik zelf overigens niet meer. In mijn jeugd kwam ik heel regelmatig in de bibliotheek; stapels boeken heb ik toen verslonden. Maar na de middelbare school hield ik het voor gezien. Zoals wel meer volwassenen. Hoe dat komt? Ik heb het niet onderzocht, maar de verklaringen liggen wel een beetje voor de hand. Ik denk dat het onder meer een kwestie van hygiëne is: bibliotheekboeken zijn soms zo viés. Er zitten snotjes tussen, geplette vliegjes, ze zijn beduimeld. Ook de presentatie van de materialen nodigt niet altijd uit. Volgens mij moet je bestsellers – boeken van Kluun, Heleen van Royen – een prominente plek geven. Mensen willen die lezen, dus moet je ze tonen. Maar daarnaast lijkt het me noodzakelijk dat je véél ander aanbod hebt. Gewoon, rijen boeken. Ik geloof dat bibliotheekbezoekers het heerlijk vinden om een beetje te snuffelen en zo onverwachte, mooie vondsten te doen. Daartoe moet je ze dan wel de gelegenheid geven. Echter: zelfs als je een prachtige collectie hebt, zullen veel volwassenen de bibliotheek links laten liggen. Puur en alleen vanwege het feit dat hun budget het toelaat zelf boeken aan te schaffen. Niet voor niets stijgt de verkoop van boeken nog steeds.
Het lijkt mij daarom een goed idee als bibliotheken zich primair gaan richten op de jeugd. Veel ouders maken hun kinderen lid van de bibliotheek. Ze willen dat hun kroost opgroeit met boeken, maar vinden het overdreven om al dat leesvoer zelf aan te schaffen. Want, anders dan de meeste volwassenen met hun drukke levens, jagen sommige kinderen er makkelijk enkele boeken per week doorheen. Dan is de bibliotheek een uitkomst. Bibliotheken moeten zich daarom beraden op de vraag hoe ze zo aantrekkelijk mogelijk kunnen zijn voor kinderen. Om te beginnen zouden ze kunnen benadrukken dat de keuze enorm is: romans, informatieve boeken, strips. Ook moeten ze veel meer uitdragen dat ze kinderen kunnen helpen “nieuwe werelden” te ontdekken door ze over geschikte boeken te adviseren. Vervolgens is het natuurlijk zaak dat ze hun waar op een goede manier aan de man brengen. Want nog niet álle kinderen zijn lid; er valt nog een wereld te winnen. Dit betekent uiteraard dat ze – nog – meer werk moeten maken van marketing. Genereer free publicity, koop advertorials in, organiseer netwerkborrels met stakeholders, maak affiches, posters, folders en koop desnoods zendtijd bij radio en televisie. Maak duidelijk dat je een uniek product biedt. Je moet er hoe dan ook voor zorgen dat ouders en kinderen langskomen en het naar hun zin hebben. Is dat het geval, dan komen ze terug.
Vanzelfsprekend moet je ook ouders dan iets te bieden hebben. Niet in de eerste plaats een goede koffiecorner, zoals bibliotheken tegenwoordig nog wel eens schijnen te denken. Ook het binnenhalen van mooie tentoonstellingen of het uitnodigen van lokale muziekensembles hoort niet de hoofdmoot te zijn. Dat zijn hooguit lokkertjes, vehikels waarop mensen de bibliotheek binnenrijden. Maar uiteindelijk draait het toch om het uitlenen van boeken. Je moet dus ook volwassenen – ouders – een goed boekenaanbod doen en ze verleiden die boeken daadwerkelijk te lenen. Ik heb daarvoor wel een suggestie: speel in op het “vakantiegevoel”. Veel volwassenen nemen tijdens de vakantie wél stapels boeken mee om lekker op het strand te lezen. Benadruk maar eens dat je niet naar Spanje hoeft voor die rustige leesmomenten, maar dat je op je eigen bank kunt “reizen in je hoofd”.  Appelleer aan het ontspannen gevoel dat mensen associëren met vakantie. Dat kan natuurlijk alleen als er in de bibliotheek zelf ook een prettige, rustige sfeer heerst. Hecktiek is er al genoeg; mensen verwachten stilte. Ikzelf vind het tenminste óók heerlijk om, in mijn eigen cocon, tussen de boeken te grasduinen. En mocht ik een vraag hebben, dan wil ik die kunnen stellen aan een hulpvaardige, klantgerichte bibliotheekmedewerker met liefde voor boeken. Die me ook op het spoor kan zetten van nieuwe uitgaven die mij wellicht interesseren. Zo’n type als de aloude bibliothecaresse met haar knotje en brilletje. Iemand met verstand van zaken.
Door doelgroepen duidelijk af te bakenen en in te spelen op hun verlangens, kun je de teruggang van het aantal leden misschien een halt toe roepen. Ik spreek uit ervaring. Toen hij in 1987 aantrad bij het Spoorwegmuseum – eerst als conservator, later als directeur –  trok het jaarlijks zo’n 110.000 bezoekers. Na de recente verbouwing schommelt het bezoekersaantal rond de 350.000. Dat is een forse toename. Maar die is niet van de ene op de andere dag tot stand gekomen. Daar hebben we hard voor gewerkt. Zo is het museum sinds begin jaren negentig twee maal verbouwd. De eerste keer werden we van “Oudhedenkamer” een echt modern museum. Vervolgens hebben we tussen 1989 en 1999 ieder jaar “hardware” toegevoegd: vastgoed, een kindertreintje, een modern restaurant, een depot, nieuwe modelbouw. Tegelijkertijd zijn we ons gaan profileren in de evenementenmarkt met onder meer een Stoommanifestatie, waarbij stoommachines van heinde en verre werden getoond, en het Oosterse zomerfeest Pasar Perron. Die evenementen werden langzamerhand een soort van handelsmerk. Toch maakten we ons zorgen over ons museum. Ons fantastische product – de treinen – stond namelijk buiten weg te roesten. En zonder goed product ben je nergens. Daarom besloten we een smeekbede aan de NS te richten met het verzoek het museum een financiële injectie te geven. Die kwam er: de Spoorwegen stelden 35 miljoen euro ter beschikking. Vrij te besteden. Alleen in financieel opzicht moesten we verantwoording afleggen aan de Hoofddirectie van de NS en aan onze eigen Raad van Toezicht. Verder kregen we carte blanche. Dat was natuurlijk geweldig. Samen met een collega en een extern adviseur zette ik de nieuwe koers uit. Dat ging vrij intuïtief. Om te beginnen besloten we dat we dat er natuurlijk loodsen moesten komen voor de treinen. Daarnaast namen we de fundamentele beslissing dat we in de eerste plaats een beginnersmuseum willen zijn: een museum dat kinderen en hun begeleiders laat ervaren dat een museum léuk is. Of ze ook nog iets opsteken, is voor ons bijna bijzaak. Daarom bij ons geen ellenlange teksten naast vitrinekastjes, maar wel allerlei belevenissen, zoals een vrachtspel voor kinderen over het goederenvervoer per spoor. Tot slot konden we door natuurlijk verloop, in goed overleg met de Ondernemingsraad, een groot deel van het personeel vervangen. Samen met de nieuwe medewerkers bedachten we vervolgens hoe we onze klanten tegemoet willen treden. We kwamen toen uit bij waarden als: gastvrij, met aandacht, hulpvaardig. Dat zijn geen holle kreten. Ik ben serieus blij met al onze bezoekers. Het is mooi dat ze hun geld hier willen uitgeven en niet elders. Daardoor kan het museum voortbestaan, want we moeten grotendeels onszelf bedruipen. Bij bibliotheken ligt dat natuurlijk anders. Zolang ze subsidie ontvangen, ontbreekt misschien de noodzaak om zaken écht anders aan te pakken en kabbelt het allemaal maar voort? Dat zou jammer zijn. De bibliotheek was altijd een A-merk en kan dit weer worden. Maar dat vergt wel een forse inspanning. Bibliotheken moeten echt duidelijker keuzes gaan maken: wie zijn ze, wat willen ze en hoe dragen ze dat uit? Daarnaast mogen ze wel wat trotser zijn op wat ze in huis hebben én uitlenen. Als je die trots ontbeert, houdt het volgens mij sowieso op.’

Kunsthistoricus Paul van Vlijmen (Heerlen, 1954) is directeur van het Spoorwegmuseum in Utrecht.

Verschenen in: Bibliotheek Back to the future (Vereniging van Openbare Bibliotheken; 2008).

Dit artikel is 1202 keer bekeken